Narrenwind – Ja, Dago

“Ja, Dago.” Dat betekent: “Ik, Dago.” Dago wie? Wel: Dagomir of Mieszko I, de eerste bestuurder van een verenigd Polen in de tiende eeuw. Zijn naam wordt vermeld in één van de eerste historische documenten over de vereniging van Polen (hoewel het toen nog niet Polen heette), waarin de grenzen van het land worden beschreven: “Dagome iudex”. Mieszko I was een intelligent politicus, een getalenteerd strateeg en een charismatisch heerser. We zijn meer dan duizend jaar later en de man is blijkbaar nog steeds populair in zijn geboorteland. Het tweede album van het Poolse duo Narrenwind, getiteld Ja, Dago, getuigt hiervan. Het album is maar losjes gebaseerd op de Dagome iudex (want eigenlijk staat er niet zoveel in dat korte stukje middeleeuwse tekst) en gaat contextueel en conceptueel een stuk ruimer.

De band gaf de volgende introductie mee: “Aeonen geleden, voor de oceanen Atlantis verdronken, leefde hier het Ras van de Machtige Giganten, in het gebied dat we nu kennen als Polen. Op een dag, vele eeuwen later, besloot een machtige zoon van deze giganten om zijn koninkrijk te bouwen op dit land. Luister naar dit verhaal… Het is enkel ik, zijn geschiedschrijver, die u kan vertellen over zijn saga. Ik geloof dat zijn verhaal in u allen is, een manifestatie van uw energie. Dit is wat u allen zoekt. Want wat we allemaal zoeken is niet de betekenis van het leven, maar de betovering die ons uiteen zal scheuren. Laat deze mythe u dit gevoel vergunnen. Laat het verhaal van “Ja, Dago”, u zover brengen…”.

De aandachtige lezer en boeken-/filmliefhebber zal misschien uit deze vreemde tekst de volgende passages gedestilleerd hebben, die we beter kennen in het Engels: “… when the oceans drank Atlantis, …” en “It is I, his chronicler, who alone can tell thee of his saga.”. Dit zijn fragmenten uit de openingsscene van het fantasy-epos Conan The Barbarian (1982), op muziek van Basil Poledouris en gebaseerd op de boeken van Robert E. Howard. Zoals ik het begrijp wil Narrenwind op Ja, Dago de ontstaansgeschiedenis van hun land een episch, bovennatuurlijk karakter meegeven met Mieszko I als de zoon der Titanen. Een album met een duidelijk nationalistische inslag dus.

Narrenwind is niet zomaar een zomerbriesje, maar eerder een heuse passaat die doorheen het blackmetallandschap raast. De band werd gevormd in juni 2018 en bracht zes maanden (!) later al zijn debuutplaat uit: Mojej Bolesnej śnię Dobrą Śmierć (iets over een pijnlijke droom en een goede dood, maar blijkbaar is het een verwarrende titel). Ja, Dago werd minder dan een jaar later (september 2019) uitgebracht door hetzelfde Poolse label Pagan Records. Een sneltrein dus, dat Narrenwind. Wanneer je twee gelijkgestemde geesten (die geografisch niet te ver van elkaar verwijderd leven) samenbrengt kan het natuurlijk wel snel gaan. De taakverdeling binnen Narrenwind is dan ook heel efficiënt: Klimørh (Non Opus Dei) verzorgt de vocalen en Ævil (Sauron) doet al de rest. Zo is het makkelijk werken inderdaad.

Het eerste wat opvalt aan Ja, Dago is de albumhoes: een kunstwerk van de Poolse kunstenaar Stanisław Szukalski. Het werk heet “Dziedzic”, wat “erfgenaam” betekent. Heel gericht gekozen om te passen bij het thema van dit album. Het geeft Ja, Dago alvast een stijlvol karakter. En dat definieert echt wel de muzikale inhoud van dit album. Rustig, verhalend, sfeervol en melodisch, maar met een krachtige, verbeten ondertoon. Uiteraard ligt het in dezelfde lijn als Mojej Bolesnej śnię Dobrą Śmierć en zijn de verschilpunten te vinden in de details. Zo klinkt Klimørh op Ja, Dago wat zwaarder en ruwer dan op het debuutalbum en wordt er ook meer afgewisseld in vocale stijlen: ruw gesproken woord, gefluister, ruige krijs… Door deze afwisseling komt het nieuwe album een stuk makkelijker binnen dan het vorige. Ook instrumentaal klinkt het allemaal wat overtuigender en de gebruikte melodieën blijven wat langer hangen. Zoals op het openingsnummer Władza (“Macht”) bijvoorbeeld, dat zeer ingenieus is opgebouwd. De melodie komt pas in het tweede stuk van dit nummer tot wasdom (ik kan niet goed uitmaken of het hier om synths gaat of om één of ander blaasinstrument), maar elementen ervan worden in het eerste deel al aangebracht door middel van een hoornachtig instrument dat de gesproken tekst ondersteunt. De volledige melodie zelf, treurig en statig, is er alvast eentje die door je hoofd blijft spoken.

In alle gemaakte keuzes (tempo, stemgebruik…) merk je dat de muziek hier in functie staat van het verhaal. Władza gaat bijvoorbeeld over de betekenis van “macht”, de macht om te benoemen, de macht om te beslissen. Essentiële kwaliteiten voor een vorst, zo zie ik het verband met de titel. Datzelfde geldt voor Żądza czynów (“Dadendrang”), waarin letterlijk verwezen wordt naar de eenmaking van Polen door “Piastun” (Mieszko I). Het nummer kabbelt gezapig voort maar de krachtige vocalen (Klimørh klinkt hier bij momenten als een dier of een monster: een gigant als je wil) houden de luisteraar – of lezer, als je de taal niet machtig bent en dus een vertaling nodig hebt – alert. De betekenis van Ja, Piastun is eigenlijk synoniem aan Ja, Dago. Dit is opnieuw een nummer met een heel fijne en beklijvende melodie, die hier ook nog wat meer uitgewerkt wordt. Er wordt meer gevarieerd zowel qua ritme als melodie en er komt hier zelfs af en toe een powermetaldeuntje piepen. Daarnaast voel ik op Ja, Piastun wat meer emotie doorsijpelen, en ook in de tekst lees ik over vuur, strijd en de dood. Zuiver muzikaal alleszins één van de beste nummers van het album.

Ik sla het onopvallende Zagadka (“Puzzel”) even over, want het daaropvolgende Tyrfing heeft heel wat meer te bieden. Tyrfing is een ode aan het Zwaard van de Goden, maar tegelijk beschrijft het het bloedvergieten en de gruwel die dit zwaard met zich meebrengt. De dood staat hier centraal en dat hoor je ook in de tekst: “śmierć” (de dood) komt heel regelmatig aan bod. Wat me vooral bevalt aan dit album is dat je de emoties die duidelijk vervat zitten in de teksten ook glashelder terug hoort in de muziek: zowel in de instrumenten als in de vocalen. De stem van Klimørh is op Tyrfing extra boosaardig en ook de instrumentatie van Ævil roept emoties als verdriet en naargeestige melancholie op. De gitaren klinken bijvoorbeeld klaaglijk en op een vreemde manier heldhaftig. Hier doorheen wordt een op het eerste gehoor serene melodie geweven, die echter vooral veel tragiek lijkt uit te stralen.

Ród Olbrzymów (“Huis der Giganten”) is een geweldig cool nummer. In een slepend tempo en met een uitdagend ritme dragen de donkere bassen de opening van dit nummer en de barse, bijna bovenmenselijk rauwe stem van Klimørh. De tekst wordt gedeclameerd op een dusdanige manier dat je gewoon zelf zou willen meegrommen. Als je Pools kon spreken weliswaar… De zwartgallige ondertoon in de muziek krijgt gaandeweg een epische boventoon mee die me onwillekeurig doet denken aan een thema uit de Conan The Barbarian-soundtrack. Gezien de hierboven beschreven link met deze film is dat misschien ook net de bedoeling. Ondanks die bovenliggende epiek voel je echter dat het nummer zich droevig voortsleept naar zijn einde. Inhoudelijk lijkt dit een soort synthese van de vorige nummers, waarin thema’s als het zwaard, de giganten, “Piastun”, de macht van het benoemen, het gevecht en de dood terugkeren. Eigenlijk breit Dolina Śmierci (“Vallei van de Dood”) een muzikaal vervolg aan Ród Olbrzymów, tot het ergens halverwege plots overgaat in een emotionele balade (ik had het Klimørh niet gegeven, maar dit werkt écht), begeleid door akoestische gitaar en met de geluiden van de nacht als achtergrond. “Noc posępna. Nadszedł nasz czas.” “Sombere nacht. Onze tijd is gekomen.”

Nog een verrassing op het eind: de outro Krew i Ziemia (“Bloed en Land”) is een bijzonder dreigend nummer waarin Klimørh zich van zijn meest kwaadaardige kant laat horen, zowel gesproken als gefluisterd. Hierover wordt een klassieke compositie in de stijl van de Conan The Barbarian-soundtrack gedrapeerd, die ik bijzonder geslaagd vind, hoe kort ook: het dreigt, het sleept, het treurt en het hypnotiseert. Een heel stijlvolle afsluiter van een buitengewoon album.

Ja, Dago is voor mij na enkele luisterbeurten geëvolueerd van een aangenaam luisterstuk naar een buitengewone muzikale sensatie. Black metal zoals ik het nog nooit hoorde. Geen extremen, geen hoog tempo, weinig uitgesproken hoogtepunten ook, maar een indrukwekkende vertolking van een middeleeuwse tekst op een moderne, progressieve, unieke manier. Ævil bewijst zijn klasse met beklijvende melodieën en muziek die geschreven is om het verhaal en de daarin aanwezige emoties perfect over te brengen. De teksten zijn poëtisch van aard en worden ten tonele gebracht door de veelzijdige stem van Klimørh. Al volgen de releases nog zo snel op elkaar, bij het schrijven van Ja, Dago is echt wel op de details gelet. Narrenwind is wat mij betreft dan ook evenzeer kunst als “Dziedzic” van Stanisław Szukalski dat is.

Score:

85/100

Label:

Pagan Records, 2019

Tracklisting:

  1. Władza
  2. Żądza czynów
  3. Ja, Piastun
  4. Zagadka
  5. Tyrfing
  6. Ród Olbrzymów
  7. Dolina Śmierci
  8. Krew i Ziemia

Line-up:

  • Klimørh – Stem
  • Ævil – Alle instrumenten

Links: