Ex Norvegiae regione septentrionali, urbe quae Nidrosia appellatur, hoc anno progreditur opus musicum inter diabolicissima quae umquam in hoc genere sonorum atrociore audita sunt. Id est carmen laudis Satanae, hymnus ad celebrandam impuritatem domini tenebrarum, in formam cultus sacri nigerrimi compositus, cui nullum par reperiri potest.
Op twintig februari kwam het vierde studio-album van het Noorse Misotheist uit: De Pinte. Dit imposante werk zal dit jaar hoogstwaarschijnlijk hoog eindigen in de jaarlijsten en wordt door sommigen nu al getipt als het (blackmetal-)album van het jaar. Hoewel het altijd moeilijk is om albums met elkaar te vergelijken (hoe sterk verwant ze ook mogen zijn), durf ik toch nu al een gewaagde voorspelling te doen: dit Diabolus, Mecum Semperterne! zou Misotheist wel eens naar de kroon durven steken. Hieronder vertel ik u in alle details precies waarom…
…Maar laat ik beide albums eerst even situeren, want er zijn behoorlijk wat parallellen te trekken. Ze zijn namelijk op dezelfde dag uitgekomen en dat is niet verwonderlijk, want de albums van Misotheist en Diabolus, Mecum Semperterne! werden beiden uitgebracht via het kwaliteitslabel Terratur Possessions (hier in samenwerking met Amor Fati Productions) en de bands delen met Brage Kråbøl ook nog eens een gemeenschappelijk en heel essentieel bandlid. Terwijl Misotheist eigenlijk Kråbøls soloproject is, kan je Diabolus, Mecum Semperterne! eerder zien als een soort supergroep die leden van zowat alle toonaangevende Nidrosian blackmetalbands van het moment bevat: gitarist en toetsenist Tor-Helge Skei, ook wel Cernunnus (Manes, Manii), oprichter van de band, vocalisten Kjell Rambech (Whoredom Rife) en Eskil Blix (Mare, Djevel, Vemod, Kaosritual), en Brage Kråbøl (Misotheist, Enevelde en Kråbøl) op drums. Wie de Nidrosian blackmetalbeweging nog niet zou kennen: dit is een verzamelterm voor een select gezelschap van blackmetalbands die hun roots hebben in Trondheim en een mystieke, occulte, ritualistische vorm van duistere atmosferische black metal spelen. En dat doen ze allemaal op hun eigen specifieke manier.

Terwijl Misotheist dus op dezelfde dag nog een indrukwekkend album neerzette dat door middel van intense en zeer compacte, dissonante atmosferische black metal uitblonk in geestdrift, (droefgeestige) emotie en bezieling, geeft Diabolus, Mecum Semperterne! uiting aan gelijkaardige emoties van woede en melancholie in een eerder sacraal-liturgische sfeer. Het album is opgevat als de muzikale belichaming van een zwarte mis. Ik stel me hierbij de Nidaros kathedraal van Trondheim voor, grotendeels gehuld in duisternis en enkel verlicht door half-gesmolten kaarsen. Vooraan staan duistere figuren, gehuld in donkere gewaden: sommigen staan met hun armen bezwerend gespreid boven occulte boeken, anderen vormen een achtergrondkoor dat met zijn heldere stemmen de duisternis van de Satanische homilie zowel tegenspreekt als bevestigt. Er is schoonheid, er is devotie, er is nijd en toorn, er is aanbidding en er is grootsheid. Dat laatste komt vooral tot uiting in de quasi doorlopende aanwezigheid van het orgel, dat op dit album vooral een ondersteunende rol heeft, maar hier en daar ook even het voortouw neemt.
Deze onheilige mis is, naar analogie met de christelijke traditie, opgedeeld in een aantal vaste fasen of riten: de intrede (Praeludium), de zegening (Ab illo benedicaris, in cujus honore cremaberis: “Moge u gezegend worden door Hem ter ere van wie u verbrand zult worden”), drie tussentijdse psalmen (Interludium I-III), het evangelie (Diabolus Sit in Corde Tuo, et in Labiis Tuis, ut Digne et Competenter Annunties Evangelium Suum: “Moge de duivel in uw hart en op uw lippen zijn, zodat u zijn evangelie waardig en bekwaam kunt verkondigen.”), de dankzegging (Gratias Agamus Domino Infero Deo Nostro: “Laten wij danken aan de Heer van de onderwereld, onze God.”), het Gloria (Revelabitur Gloria Domini: “De glorie van de Heer zal worden geopenbaard.”) en de zending (Postludium).
Uiteraard moet u deze keuzes zien in het licht van de geschiedenis van Trondheim (het middeleeuwse Nidaros). De stad werd namelijk gebouwd op het graf van koning Olaf Haraldsson (Sint-Olaf), die het christendom in Noorwegen installeerde. Uiteraard tracht Diabolus, Mecum Semperterne! met zijn debuutalbum geen bruggen te slaan naar het verleden van de stad of naar het Noorse christendom, maar streeft het tegelijkertijd naar de ontheiliging van de christelijke, ecclesiastische traditie en de devote aanbidding van de Duivel zelf.
Het korte Praeludium, de drie korte Interludia en het langere Postludium dienen hier een gemeenschappelijk doel: ze zijn toegevoegd om de juiste sfeer neer te zetten waarbinnen de blackmetalnummers het best tot hun recht kunnen komen, maar ook om een algeheel gevoel van onbehagen op te wekken (luister hiervoor vooral eens naar het huiveringwekkende Postludium). Deze sfeerschepping is opgebouwd rond sonore, meerstemmige kerkzang, al dan niet in combinatie met orgel, onheilspellende synths of mistroostige kerkklokken. De zang heeft zoveel galm meegekregen dat de illusie inderdaad gewekt wordt dat het koor (in de persoon van Eskil Blix) echt in een imposante kathedraal staat te zingen. Er zijn een aantal subtiele keuzes gemaakt om deze koorzang nóg onheilspellender en naargeestiger te maken. Zo klinkt de zang heel erg bloedeloos en moedeloos (alsof het koor uit lege dronen bestaat), bevat deze op Interludium III opvallend veel dissonanten en is er in het Postludium bewust een heel onstabiele vorm van distortie en “storing” toegepast. Deze kunstgrepen geven het geheel een bijna onwerkelijk, onnatuurlijk effect mee.
Deze tracks lijken louter een ondersteunende rol te hebben, aangezien ze zelf geen muzikale thema’s of melodieën aanreiken. Anderzijds lijkt het Postludium wel op een vreemde manier het hoogtepunt van dit album te vertolken, eerder dan dat het een eenvoudige outro zou betreffen. Dit is de culminatie van de verschrikking die over alle nummers heen is gedrapeerd.
Toch zal de luisteraar en liefhebber van (Nidrosian) black metal zijn aandacht eerder spontaan richten op de nummers met de langere titels, zoals Ab illo benedicaris, in cujus honore cremaberis. Je merkt ook hier dat er bepaalde keuzes zijn gemaakt zodat het sacrale, occulte karakter van de muziek centraal blijft staan. De drums vormen een ondoordringbare en niet-aflatend doorjagende onderlaag die dof en diep klinkt (de basdrums beuken ergens diep onderaan tegen de poorten van de onderwereld), weliswaar met scherpe accenten van de cimbalen, die geen rust gegund worden. Samen met de monumentale maar snijdende orgelklanken vormen zij het fundament waar de veelzijdige zang en veelal bevlogen tremoloriffs kunnen op verder bouwen. Het gitaarwerk nestelt zich regelmatig in de Maelstrom die door drums en orgel wordt gevormd, waar het zich repetitief en mysterieus/betoverend verderzet om hier en daar met hoge en absoluut memorabele tremololeads weer op te duiken. Als je de tijd neemt om het gitaarwerk op dit nummer zorgvuldig onder de loep te nemen, ontdek je een weelde aan begeesterde en meeslepende riffs. Het instrumentale compartiment wordt netjes afgewerkt met transcendent, kosmisch klinkende synths, die het nummer met bijna filmische allures naar een bovenaards niveau weten te tillen. Het is op die momenten van indrukwekkende grootsheid dat de muziek van Diabolus, Mecum Semperterne! gelijkenissen vertoont met de atmosferische black metal van het Franse Blut aus Nord.
De rauwe, gemene en zeer krachtige schreeuw van Kjell Rambech blijft moeiteloos overeind te midden van al deze verpletterende chaos en brengt met veel woede en fanatisme de tekstuele inhoud van deze zegening over, terwijl de bezwerende cleane zang van Eskil Blix hier eerder een sfeeropbouwende rol speelt.
In vergelijking met Ab illo benedicaris, in cujus honore cremaberis voelt het relatief korte evangelie Diabolus sit in corde tuo, et in labiis tuis, ut digne et competenter annunties evangelium suum harder, donkerder en woester aan, hoewel de samenstellende elementen dezelfde blijven. De repetitieve tremoloriffs golven aan een behoorlijk hoge snelheid en met veel dissonantie op en neer en dompelen de luisteraar in een hypnotische koortsdroom, aangejaagd door de demonische grauw van Kjell Rambech, de bezwerende, spokende koorzang van Eskil Blix en een vurig intrinsiek fanatisme. Er zijn bepaalde parallellen te trekken met het werk van Akhlys, zeker in de manier waarop de riffs zijn opgebouwd, maar als je die riffs isoleert, hoor je ook echo’s van Mayhems illustere debuutalbum. Aangezien het orgel hier nog net iets prominenter in de mix staat, is deze monumentale track trouwens begiftigd met een massief geluid…
… en deze lijn wordt, na het Interludium II, gewoon doorgetrokken in de start van de dankzegging, Gratias agamus domino infero deo nostro. Als er één nummer op deze plaat de essentie van wat Diabolus, Mecum Semperterne! is en wil uitdragen en op indrukwekkende wijze belichaamt, dan is het wel dit. Gratias agamus domino infero deo nostro is nog veel complexer en veelzijdiger dan bijvoorbeeld Ab illo benedicaris, in cujus honore cremaberis en bevat meer diepgang, bezieling en creatieve rijkdom. Dit is ook de track die het meest blijft hangen, zowel melodisch als gevoelsmatig.
Het Gloria is een eeuwenoude lofzang in de katholieke liturgie waarin god wordt geëerd en geprezen om zijn grootheid. Vervang god door Satan en je komt tot de essentie van Revelabitur gloria domini. Op dit nummer kiezen de heren uit Trondheim voor een onafgebroken strakke spanningsboog door hun devote black metal meedogenloos aan een hoge snelheid voort te jagen. Het theatrale, bijna mythische gevoel van grootsheid dat Gratias agamus domino infero deo nostro uitademde vind je hier minder terug. Toch leidt dit nergens tot eentonigheid of banaliteit, dankzij de geniale gelaagdheid en diepte in de gitaren, de subtiele toevoeging van de orgelklanken en vooral de oprechte toewijding waarmee Kjell Rambech zijn acclamatie aan het adres van de heer Satan, koning van de hel, op de voor hem zo typische, rauwe wijze declameert. Om het meedogenloze, fanatieke karakter van dit nummer nog wat meer in de verf te zetten is de inbreng van cleane vocalen hier minimaal.
Het heeft me drie maanden gekost om mijn mening over deze sublieme plaat onder woorden te brengen. Diabolus, Mecum Semperterne! streeft met deze ambitieuze debuutplaat onmiddellijk naar het allerhoogste, maar reikt inhoudelijk tegelijkertijd ook diep naar de krochten van de hel in deze zwartmetalen aanbidding van Satan. Dit album, waarin atmosferische, dissonante en occulte black metal wordt vermengd met de liturgieën en majestueuze orgeltonen van een heuse zwarte mis, mag met recht en rede als een magnum opus worden omschreven. Het valt niet enkel op door zijn unieke opbouw, maar ook door zijn technisch meesterschap en sublieme sfeerschepping. Het brengt ook perfect elk facet waar Nidrosian black metal voor staat tot uiting: het is duister, devotioneel en artistiek compromisloos.
Ave, Satanas, princeps inferorum! Adveniat regnum tuum.
Score:
92/100
Label:
Terratur Possessions, 2026
Tracklisting:
- Praeludium
- Ab illo benedicaris, in cujus honore cremaberis
- Interludium I
- Diabolus sit in corde tuo, et in labiis tuis, ut digne et competenter annunties evangelium suum
- Interludium II
- Gratias agamus domino infero deo nostro
- Interludium III
- Revelabitur gloria domini
- Postludium
Line-up:
- Cernunnus – Gitaar, keyboards
- K.R. – Stem
- B. Kråbøl – Drums
- E. Blix – Stem (koor)
Link:

