Als jonge liefhebber der betere muziek was Guns N’ Roses de eerste grote liefde van Zware Metalen’s Remco Faasen. Na een paar intense jaren verwaterde de liefde en bleef er niets meer dan een plasje van over. Totdat KINK Distortion DJ en bassist van Guns N’ Roses, Duff McKagan, zijn collega’s uitnodigde bij de concerten van zijn band in de Amsterdamse Ziggo Dome. Remco pakte de uitnodiging aan, liet er zelfs de WK-wedstrijd Nederland – Zweden voor schieten (maar niet helemaal, zie verderop) en had een hernieuwde kennismaking met zijn jeugdliefde, 33 jaar na hun laatste samenzijn.

Opgroeiend als pre-puber eind jaren ’80 was muziek niet echt een onderdeel van mijn leven. Thuis stond de radio ’s middags aan, maar niet meer dan dat en de populaire liedjes die erop te horen waren maakten weinig indruk. Dat was nog minder het geval met de opkomende elektronische muziek die later eurodance ging heten. Eén nummer op die radio van mijn moeder sloeg me echter als een mokerslag achterover. Paradise City. De band? Guns N’ Roses. Ik was direct superfan. Van mijn zakgeld kocht ik het debuutalbum Appetite for Destruction met daarop nog meer krakers als Welcome to the Jungle en Sweet Child O’ Mine en in 1992 stond ik aan de hand van mijn meerderjarige neef vooraan bij het legendarische concert van de band in De Kuip in Rotterdam. Legendarisch omdat het optreden zoals gewoonlijk voor Guns N’ Roses te laat begon, waarna de organisatie tegen middernacht dreigde de stroom af te sluiten. Zanger Axl Rose waarschuwde het publiek daarvoor en riep op als dat zou gebeuren massaal richting het Stadhuis te gaan om eens een hartig woordje met de burgemeester te wisselen. De stroom bleef aan.

Een jaar later deed Guns N’ Roses het Goffertpark in Nijmegen aan en weer was ik van de partij. Superfan, nog steeds. Ik kende de drie albums van de band (naast het debuut Use Your Illusion I en II) uit mijn hoofd, net als triviale zaken als de geboortedata van de bandleden en hun persoonlijke achtergronden. Op mijn kamer hingen naast Christina Applegate als Kelly Bundy vooral posters van Axl Rose, Slash, Duff, Steven Adler, Izzy Stradlin en later Matt Sorum.
Wat ik toen nog niet wist was dat de hoogtijdagen van zowel Guns N’ Roses als mijn loyaliteit aan de band achter ons lagen. Op school hoorde een klasgenoot mij weemoedig aan toen ik vertelde naar “echt harde muziek zoals Guns N’ Roses” te luisteren en gaf mij een zelf opgenomen cassettebandje met op de ene kant South of Heaven van Slayer en op de andere kant Consvming Impvlse van Pestilence. Voor een tweede keer in mijn leven werd ik achterover geslagen maar dan met een intensiteit die tot op de dag van vandaag effect heeft. De verschijning van Mayhem’s De Mysteriis Dom Sathanas in 1994 liet me nooit meer opstaan.

Bij Guns N’ Roses haakten de vijf bandleden die voor eeuwig staan gesymboliseerd op het beroemde kruis van de band één voor één af. Drummer Steven Adler verdween al in 1990 ten gevolge van een heftige heroïneverslaving. Matt Sorum van The Cult nam zijn plek in en met hem veranderde het bandgeluid: minder rock ‘n’ roll en meer metal. Een jaar later stapte gitarist en creatieve motor Izzy Stradlin op vanwege die stijlverandering maar vooral vanwege het maar voortdurende drugsgebruik van zijn bandmaten. Slash hield het in 1996 voorgezien, Duff in 1997 en jarenlang trok Axl in zijn eentje de GN’R-kar met één mager album als gevolg (Chinese Democracy verscheen na een productietijd van bijna tien jaar in 2008).
Guns N’ Roses bleef toeren en deed dat wonderwel op grote festivalweides en in stadions: drie geweldige albums uitgebracht in een tijdsbestek van vijf jaar bleken voldoende om overal een publiek van enkele tienduizenden te trekken. Ik had echter geen behoefte om Axl en zijn inhuursoldaten (ik geloof dat er op een gegeven moment iemand met een emmer van Kentucky Fried Chicken bij de band zat) te zien, ook niet nadat Duff McKagan en Slash hun ruzies met de rossige frontman bijlegden. Maar toen KINK Distortion namens de bassist met de uitnodiging voor een van de concerten in Amsterdam kwam, borrelde het oude bloed plots omhoog en had ik na 33 jaar een weerzien met mijn oude helden (en een afspraak met mezelf om eens na te gaan hoe er in Satansnaam meer dan dertig jaar zomaar verstreken zijn).

Zaterdag 20 juni werd de dag van mijn weerzien met GN’R als ik me verbaas over de volle trein richting Amsterdam. Veel in oranje gehulde reizigers die blijkbaar Nederland – Zweden op het WK gaan kijken in de Johan Cruijff Arena? Bij aankomst blijken De Toppers één van hun meezingconcerten te geven. Het zorgt voor verbaasde blikken tussen het rockpubliek enerzijds en de verzameling smaaklozen aan de andere kant.
DJ Duff heeft een tribuneplaats op de eerste ring voor me uitgekozen waar ik normaal op het veld sta, maar nu ben ik blij met de plek. Het geeft mij (en de mensen om me heen) rustig de kans Nederland – Zweden te volgen, zeker als voorprogramma Mammoth (verdienstelijke rock onder aanvoering van zanger/gitarist Wolfgang Van Halen, zoon van Eddie) de set heeft afgesloten. Bijna helemaal zelfs omdat Guns N’ Roses één nare eigenschap nog niet heeft afgeleerd: te laat beginnen. Net als vroeger is dat echter direct vergeven en vergeten als drie kwartier achter op schema dat nog steeds kippenvelopwekkende gitaarloopje weerklinkt: Welcome to the Jungle. It’s So Easy en het onderschatte Bad Obsession komen langs en dan moeten we het maar eens gaan hebben over de stem van zanger Axl Rose want ik mag de band dan niet meer hebben gevolgd, de berichten over ’s mans vermeende verdwijnende zangkunsten ken ik wel. Maar ja, Rose is ook alweer 64 en het is nou niet dat hij ooit van het niveau Rob Halford of Bruce Dickinson is geweest. De hoge uithalen in Welcome to the Jungle haalt hij niet meer maar als het lager moet, zoals in It’s So Easy en Bad Obsession, gaat het prima.

Daar komt bij dat het muzikaal allemaal als door een ringetje te halen is. Hoor die band eens ronken in Mr. Brownstone en ook Slither, de hit van superband Velvet Revolver (met Slash, Duff McKagan en Matt Sorum) mag er zijn, al is Axl Rose natuurlijk geen Scott Weiland. Live and Let Die krijgt de bekende heerlijke uitvoering en voor het eerst deze avond zien we op het enorme scherm boven drummer Isaac Carpenter beelden van de muzikanten: Duff en Slash in dit geval, ook leuk voor de mensen achterin de zaal. De eerste, voorzien van haarband en zonnebril, is nog steeds zo mager als in de hoogtijdagen, bij de tweede is de bos krullen wat uitgedund en is er een licht buikje te zien maar goed, dat geldt voor meer mensen vanavond.
Over het scherm gesproken; daar worden vooral nietszeggende beelden vertoond: van vallende dobbelstenen en opwindpoppetjes tot enorme paddenstoelen. Een student van een kunstacademie heeft er vast een voldoende mee behaald maar het heeft helemaal niets met de muziek te maken en dan krijgen we ook nog eens het grootste kutnummer uit de banddiscografie voorgeschoteld: Yesterdays. De zaal zingt evenwel netjes mee. Dan komt Slash met een dubbele gitaar het podium opgelopen en even trekt er een golf van opwinding door de Ziggo Dome: het is tijd voor Knockin’ on Heaven’s Door: de Bob Dylan-cover waar de band tijdens het Freddy Mercury Tribute Concert in 1992 zo’n indruk mee maakte (jaja, opa vertelt hoor) en dat anno 2026 nog steeds doet. En wat kan Slash nog steeds spelen, waanzinnig. Slaggitarist Richard Fortus krijgt ook nog zijn moment in de spotlights, het publiek zingt massaal mee en Slash zorgt voor een fenomenaal einde aan het nummer: een heel, heel groot hoogtepunt van dit concert en dat juist als Crysencio Summerville de eindstand van Nederland – Zweden op 5-1 zet.

Het fijne Double Talkin’ Jive krijgt een uitgebreid intro en Axl, die eindelijk zijn geruite overhemd heeft uitgedaan, zorgt voor prima vocalen. Het nummer ontaard in een heuse jamsessie met een uiteraard excellerende Slash, waarna Chinese Democracy wordt ingezet en ook het daaropvolgende This I Love staat op dat album. Best een gewaagde keuze want voor een groot deel wordt Axl begeleidt door piano (een rol die nog steeds is weggelegd voor Dizzy Reed) en drums waardoor hij geen mogelijkheden heeft zijn vocalen te maskeren. Dat hoeft ook niet, het gaat hem prima af, al klinkt het nummer op plaat beter. Halverwege valt die andere blikvanger van de band hem bij – die met die hoed en gitaar – en laat nog even horen wat voor fenomeen het is. Slash doet het beter dan Robin Finck op Chinese Democracy in 2008.

Met You Could Be Mine krijgen we misschien wel het beste nummer van de band. Izzy Stradlin vind die drumintro waarschijnlijk te metal maar hij staat nog steeds als een huis en voor het eerst vanavond zien we een Axl Rose die met de microfoonstandaard in de hand rondjes om zijn as draait. Heerlijk! Heerlijk! Nothin’ is een nieuw nummer en verscheen eind vorig jaar als single maar gaat vandaag het ene oor in en het andere uit. Dat geldt niet voor het wonderschone en kwetsbare Estranged, wat de band terecht een luid applaus oplevert. Axl geeft Duff McKagan vervolgens de ruimte voor ‘an old Irish folksong’: Thin Lizzy’s Thunder and Lightning krijgt dankzij de bassist een lekkere punkvibe, met als vanzelfsprekend prima gitaarwerk van u weet wel.
Het meeslepende Civil War is het meest maatschappelijk betrokken nummer van de band en wordt prima uitgevoerd maar de verrassing volgt daarna als Sabbath Bloody Sabbath van Black Sabbath wordt ingezet. Op het scherm verschijnt een foto van Ozzy Osbourne. Mooi. Heel mooi. Gelukkig is er ook weer even tijd om de camera op het podium te richten en nu zien we zelfs de beroemdste roodharige in de rock- en metalwereld (sorry Dave Mustaine!). Met Think About You en Rocket Queen gaan we weer lekker terug naar de tijd van Appetite for Destruction: alleen Meat Loaf verkocht met zijn Bat Out of Hell meer platen van zijn debuut. Rocket Queen krijgt een lekker uitgerekte versie dankzij Slash die ook een mondharmonica bespeelt en daarbij gedwongen wordt stil voor zijn microfoonstandaard te staan. Zijn gezicht morpht met verschillende doodshoofden op het scherm boven het podium. Spectaculair. Als het in 1976 zou zijn gebeurd.

Axl komt weer op het podium en weet het publiek massaal in de handen te laten klappen. Ondertussen zijn we al twee uur onderweg in de set want de gewoonte om te laat te beginnen is dan wel gebleven, de gewoonte om lang door te spelen ook. Daarbij verschilt de setlist van het concert van twee dagen geleden in deze zaal hetgeen aangeeft dat Guns N’ Roses 41 jaar na de oprichting nog steeds zijn eigen pad bewandelt. Met nieuwe nummers als Perhaps, Atlas en The General zakt het tempo en de kwaliteit toch wat maar dat komt terug nadat Axl de band heeft voorgesteld. Een solo van Slash leidt tot het intro van Sweet Child O’ Mine, dat met een ongekend gejuich wordt ontvangen en vervolgens massaal wordt meegezongen. Ik zie een jochie van een jaar of 10 op de schouders van zijn vader het nummer uit volle borst meezingen en het is alsof ik het ben op die leeftijd, fonetisch meezingend in mijn slaapkamer voor een denkbeeldig publiek. Deze versie maakt in ieder geval meer indruk dan ik mijn niet bestaande fans ooit voorschotelde. Band en publiek maken er gezamenlijk een hoogtepunt van.
Een korte pauze geeft de gelegenheid een motorfietspiano het podium op te rijden. Axl neemt plaats op het ding en laat er geen gras over groeien: November Rain. Voor het eerst deze avond passen de beelden op het scherm bij de muziek. De zaal zingt uit volle borst mee en Slash heeft inmiddels plaatsgenomen op de verhoging achter drummer Carpenter en wacht op wat komen gaat. Het pianospel van Axl, de solo van de meestergitarist, de voortstuwende drums en de bakken met regen die op het scherm neerdalen: het is perfectie. Een treinfluit kondigt daarna Nightrain aan en zelfs Slash stuitert plots rond voordat we dan toch echt naar de afsluiter gaan, het nummer dat iedereen in de zaal uit zijn tenen haalt en tot in het diepst van de ziel zal raken: Paradise City. Axl tolt weer om zijn as, Slash soleert liggend op een speaker, Dizzy Reed slaat de toetsen haast uit zijn keyboard en Carpenter drumt alsof er geen morgen is. Dan rest er na bijna drie uur muziek maar één woord: wauw.

Gevaarlijk is Guns N’ Roses natuurlijk al lang niet meer. Eind jaren ’90 maakten ze haast persoonlijk een einde aan de zoetsappige glammetal van bands als Bon Jovi, Dokken, Mötley Crüe en Cinderella. Maar belegen is de band ook niet. Er staat nog steeds een doorgewinterde rockmachine op het podium, ook al geeft Axl tegenwoordig het publiek mee ‘a lovely audience’ te zijn waar hij lang geleden nog eens persoonlijk een fan te lijf ging nadat die het waagde vanuit de zaal foto’s te maken. En eerlijk is eerlijk: Guns N’ Roses heeft mijn hart dan toch weer verovert. Niet met de impact van eind jaren ’80 maar toch. Die drie platen maar weer eens opzetten dan? Dat hoeft niet, die zitten in mijn hoofd gebeiteld. Misschien pak ik Chinese Democracy er dan toch nog eens bij. Die singles die de laatste jaren zijn uitgebracht moet ik misschien ook maar eens een kans geven. En begrijp ik nou goed dat Hard Skool uit 2022 een EP is? Is er toch nog genoeg om uit te zoeken.

Datum en locatie
20 juni 2026, Ziggo Dome, Amsterdam
Link:


