Een fascinerend uitstapje aan de randen van de wereld der metal. Zo is het concert van Mark Deeks, Jo Quail en Aaron Stainthorpe begin september in Utrecht het beste te omschrijven. ‘Een project dat drie stemmen uit de dark music, neoklassiek en experimentele muziek samenbrengt’, omschreef TivoliVredenburg de avond. Een zondagavond uiteraard, want dat is de beste dag van de week voor een optreden als dit. En dat in een bijzondere locatie: het Stadsklooster in de Domstad. Remco Faasen nam namens Zware Metalen plaats op de kerkbankjes.

Het Stadsklooster in Utrecht is een tussen 1902 en 1903 gebouwde kerk in neoromaanse stijl. Het geeft het gebouw een meer sobere uitstraling dan de vele gotische kerken die in Utrecht te vinden zijn. Tot 2019 deed het dienst als de rooms-katholieke Sint-Antoniuskerk. Vanwege de tanende belangstelling in dit type geloof (de even verderop gelegen moskee floreert), werd het gebouw uit de eredienst onttrokken. Sloop dreigde, maar toen kwam de buurt in actie en sindsdien fungeert het gebouw als cultureel podium, maakruimte en ontmoetingsplek voor kunst, muziek, stilte en zingeving. Een klooster is het gebouw overigens niet. Nooit geweest ook. Maar het bekt wel lekker én de ruimte zorgt voor een sfeervolle ‘kloosterachtige’ rust.
Geheel in lijn met dergelijke taalspelingen reis ik met mijn langgerekt geel vervoermiddel met eigen chauffeur over een vastgelegde route naar Utrecht, waar het personeel van het Stadsklooster de clientèle van vanavond observeert met een mengeling van verbazing en geamuseerdheid. Want veel bezoekers zijn in het zwart gekleed vanwege de aanwezigheid van Mark Deeks die sinds 2014 de toetsen en achtergrondvocalen van de Engelse blackmetalband Winterfylleth verzorgt. Maar natuurlijk vooral vanwege Aaron Stainthorpe van High Parasite en voor eeuwig de stem van My Dying Bride. Diezelfde Stainthorpe neemt overigens rustig plaats op de houten kerkbankjes om naar Mark Deeks te kijken. Gelukkig liggen er kussentjes.

Naast zijn betrokkenheid bij Winterfylleth heeft Deeks zijn eigen project. Met Arð maakt hij melodieuze doom metal, geïnspireerd op de geschiedenis van het Angelsaksische koninkrijk Northumbrië. Vanavond begeleidt hij zichzelf op piano en put hij uit het werk van de twee albums van die band: Take Up My Bones uit 2022 en Untouched by Fire uit 2024. Na Cursed to Nothing but Patience is er gelegenheid om voor Raise Then the Incorrupt Body iets te vertellen over de thematiek van het eerste album: het tweehonderdjarige verhaal van de relikwieën van de Northumbrische heilige Cuthbertus (634- 687) en de lange zwerftocht van zijn volgelingen na de aanval van de Vikingen op Lindisfarne in 793.
Deeks is geen spectaculaire zanger maar hij houdt zich goed staande en zijn pianospel klinkt helder en soepel. Dat de akoestiek in de voormalige kerk geweldig is, behoeft verder natuurlijk geen uitleg. Jo Quail speelt met haar cello een deuntje mee op de plaat van Arð en stapt nu ook het podium op. Het eenvoudige maar droevige pianospel van Deeks staat volledig in het teken van de zo mogelijk nog droeviger klinkende cello van Quail. Het is wonderschoon. Only Three Shall Know is een belangrijk nummer voor Deeks, zo legt hij uit: de melodie raakt hem nog steeds. Inhoudelijk gaat het over de laatste resten van Cuthbertus die officieel in de kathedraal van Durham liggen, terwijl deze er feitelijk niet terug te vinden zouden zijn. De drie monniken van de hoes van Arðs debuutalbum zouden deze laatste rustplaats wel gekend hebben maar die kunnen het niet meer navertellen. Deeks voert het nummer spetterend uit: de voormalige kerk vult zich met passievolle piano en zang.

Ik weet dat Jo Quail, die de nodige faam heeft gekregen rondom haar spel met een elektrische cello, geen onbekende is in de wereld van de betere muziek, maar voor mij staat het echt te ver af van metal. Zeker wanneer het eerste nummer, Butterfly Dance, wordt gebracht met een klassieke uitvoering van het instrument. Ferdinand heet de cello, zo legt ze later uit. En hij heeft de respectabele leeftijd van 220 jaar. The Hidden Forrest gaat daarna over een kustlijn langs een wilde zee en is volgens Quail ‘een nachtmerrie om te spelen’. Maar omdat het nummer past binnen de avond doet ze toch een poging. Als de elektrische achterneef van Ferdinand wordt gebruikt, gaat dat gepaard met een vocal sampler waarmee de Engelse haar zang kan opnemen en direct weer kan afspelen om zodoende verschillende lijnen aan de muziek toe te voegen. Het zorgt voor een wat industrial geheel waarbij inderdaad zo’n Engelse kust met van die kliffen met overhangende bomen boven een woeste zee voor je geestesoog verschijnt.
Embrace heeft als onderwerp de onderlinge verbondenheid die wij als mensheid hebben: Quail tovert een sprookjesachtig geluid uit haar instrument, als ware het een bos badend in de opkomende zon, maar verderop popt toch de industrial ondertoon weer op. Het is leuk om te zien hoe de celliste – die ook nog een dringend verzoek aan het publiek doet om vooral kaartjes voor concerten te blijven kopen, zodat ‘het wiel voort kan blijven draaien’ – nummers opbouwt en tot wasdom laat komen met haar sampler. Tegen het eind van een nummer lijkt er haast een complete band op het podium te staan. Desalniettemin is het wat mij betreft slechts een onderhoudende pauze op weg naar het volgende deel van de avond.

Dat is uiteraard het meest interessante deel van dit concert. Mark Deeks op piano, Jo Quail op elektrische cello en Aaron Stainthorpe op vocalen. Er wordt gestart met Like a Perpetual Funeral van My Dying Bride en het is heerlijk om Stainthorpe zo duidelijk articulerend te horen zingen. En wat geven Deeks en Quail prachtig ondersteuning. Het zorgt voor een ongekend intense droevigheid. Het Stadsklooster is daarna muisstil als de zanger een deel van Andreas voordraagt: een oud-Engels gedicht maar dan in de modern-Engelse vertaling, met subtiele begeleiding door Deeks en Quail.
Terwijl Stainthorpe even plaatsneemt, brengt Mark Deeks het Arð-nummer He Saw Nine Winters en dan heeft de multi-instrumentalist plots vocaal grote schoenen om te vullen. Daar slaagt hij natuurlijk niet in maar dat kan ook bijna niet. Het is hem vergeven want het resultaat is fraai genoeg, zeker dankzij het sterke pianospel. Tijdens een geïmproviseerd stuk dat door Jo Quail begint, waarna Deeks bijspringt, draagt Stainthorpe wederom een gedicht voor, waarna I Almost Loved You van My Dying Bride een bijzondere uitvoering krijgt. Het is adembenemend: ik durf me amper te bewegen, bang dat het houten bankje geluid maakt en deze perfectie verstoort.

De zaal vult zich vervolgens met de diepe tonen van de elektrische cello en daarna vullen de drie muzikanten elkaar fraai aan wanneer Stainthorpe zingend het gedicht I Carry Your Heart with Me (Carry It in My Heart) van E.E Cummings voordraagt. Het gebeurt op een dermate dreigende toon dat het even lijkt alsof een hel en verdoemenis prekende pastoor weer terug is in wat voorheen de kerk was. In Burden Foretold van Arð zingt Mark Deeks zijn cleane stukken zingt en worden ze aangevuld door de gruntende stem van de ex-zanger van My Dying Bride. Het zal voor Deeks toch ook af en toe in de arm knijpen zijn voor iemand die bij toeval de wereld van de metal is ingerold omdat Winterfylleth hem om hulp vroeg bij de uitwerking van enkele harmonieën. De drie maken er nu een fascinerend spektakelstuk van, waarbij het enkel mogelijk is om met open mond toe te kijken.
Twee akkoorden. Meer niet. Zoveel is er nodig om vervolgens Sear Me te herkennen en als vanzelfsprekend krijgt het nummer een wonder-, wonder-, wonderschone uitvoering. De afsluiter is wederom zo’n My Dying Bride-nummer dat je direct vanaf de eerste tonen herkent: The Cry of Mankind. Wat waren die eerste platen van de legendarische band toch ware pareltjes, en wat vult het Stadsklooster zich toch heerlijk met intens treurige muziek. En wat fijn dat deze muzikanten elkaar gevonden hebben.
Datum en locatie
6 september 2026, TivoliVredenburg, Utrecht
Link:


