Skáld – Ørlǫg

Na eerder deze zomer Skáld op Castlefest te hebben zien spelen, was ik geboeid om te zien wat de band in de studio aan het bekokstoven was. Het optreden was een sfeervolle en maximalistische melange van stoere vocalen, sjamanistische vrouwenzang en een heleboel slaginstrumenten. De Franse nordicfolkband telt negen leden, waaronder zeven die vocalen toevoegen. Dat zorgt voor een dijk aan geluid die live opzwepend en toch ruimtelijk was. Ørlǫg dient te bewijzen of dit ook op plaat tot zijn recht komt.

Draumakona zet uitstekend de sfeer neer met zijn vraagtekenvormige, vocale melodie en een geluid dat vanuit een basis van percussie en snaren uit elkaar spat in een groots refrein met harde trommels, metaalachtig geschrap en dromerige koorzang. De band berust zich naast zijn vele muzikanten op een arsenaal aan instrumenten, waarvan ik een groot deel niet eens kende. Als je dan ook nog zeven (!) zangers hebt, kan dit elkaar snel gaan verdringen, maar dat gebeurt Skáld niet. De band weet wanneer ze elkaar de voorgrond moeten geven, maar ook wanneer ze zelf meer naar de achtergrond moeten stappen. Zo draait Myrkviðr juist weer om de ruige en raspende mannenstemmen, terwijl de vrouwenstemmen een aanvullende rol innemen. Het is jammer dat Ratatoskr dat iets te ver neemt en daardoor geen fatsoenlijk einde kent. Ik zie de bandleden al voor me: allemaal staan ze met knikkende hoofdjes naar de studio te gebaren en zeggen ze tegen elkaar: “Nee, alsjeblieft, ga jij maar voor”, totdat de opnametijd voorbij was.

De productie op Ørlǫg past perfect voor Skáld. Het geheel heeft een lekkere ruimte waarin schelpjes kunnen ratelen, fluisterende stemmen weerklinken en zelfs zachtjes gezongen kan worden. Luister maar eens goed naar de brug op Draumakona of de eerst terughoudende, dan weer uitbundige Ek Skal Riða waar zang van ver weg galmt. Toch is alles zo dicht op elkaar geperst dat de percussie dof en hard binnenkomt en de samenzang het volledige frequentiespectrum dichtplamuurt. Zo worden op bijvoorbeeld Dǫkksalir de vederlichte vrouwenstemmen gedragen door stevig trommelwerk. Ondanks de ruimtelijke productie behoudt het album zijn punch, en dat moet een flinke klus zijn geweest..

Veel nummers zijn gebouwd rond een reguliere, trans-opwekkende structuur die richting het middelpunt van het album op zijn sterkst is. Daar heeft Útgarðr samen met Ek Skal Riða alleenheerschappij en voelt het alsof we langzaamaan afdalen naar Ginnungagap, de oneindige leegte in de Noorse mythologie. Útgarðr heeft met zijn opbouwende en epische structuur de macht om reuzen te doen herrijzen. Hier laat de band zien hoe veel opbouwende lagen ze wel niet kunnen stapelen en eist het de aandacht op. Vooral de tweede helft voelt alsof een Noorse god ons een ritueel inprent om iets belangrijks en wereldbedreigends te voorkomen. Het is met gemak mijn favoriete nummer op het album. Daarna rekt Ek Skal Riða onze tijd in de diepste diepte uit door allerlei lagen terug te trekken naar simpele trommels, een paar stemmen, een drone en wat details. De eerste keer dat de band hun harmonische samenzang inzet voelt het alsof de zon doorbreekt, en langzaamaan draaien ze de sfeer om tot er nog een kippenvelnummer bij is gekomen. Eenmaal uit de afgrond geklommen, worden we verwelkomt door Himinbjǫrg waar de introspectie nog wel rondwaart, maar we eindelijk weer kunnen dansen op het refrein. Dit nummer gaat stof optrappen op menig zomers buitenfestival.

Dat drieluik wordt door de laatste drie nummers niet meer overtroffen, en ik vind zelfs dat de band hier wat onder niveau speelt. Heiemo Og Nykkjen is herhalend, beide in structuur en tekstueel, maar is voor mij meer uitzitten dan genieten. Veit Barnit is al helemaal een gek nummer. Het voelt als een soort psychedelische hallucinatie van kinderstemmen, doelloos genoedel en koekiemonstergekreun. Het breekt keihard met de toon van het album tot nu toe en leidt alleen maar af van wat de band zo mooi heeft opgebouwd. Het nummer gaat over de wijsheid van kinderen, dus misschien was het het idee om die belevingswereld uit te beelden? Het gaat uiteindelijk nergens heen, en het beste deel er aan is dat het na nog geen twee minuten over is.

Eldr Ok Íss sluit Ørlǫg af met een onheilspellende finale die dreigt uit te bouwen naar iets monsterlijks, maar dat nooit doet. De raspende stemmen vervagen en geven plaats aan een soort hol gekrijs aan het einde, wat een onverwachts aangrijpende nasmaak achterlaat.  Het is alsof je nu naar de albumhoes kan kijken en er langzaamaan barsten ontstaan in die gouden en kleurrijke buitenkant. Daar doorheen valt enkel een nachtzwarte afgrond te zien. Die onheilspellende kant van nordic folk wordt niet vaak blootgelegd, en ik ben daar helemaal voor, maar misschien was het hier niet de meest passende keuze.

Desondanks bevalt Ørlǫg me zeer. De band voegt met zijn maximalistische en veelkoppige inval op nordic folk echt iets toe aan het genre. Het grootste deel van het album bestaat uit ijzersterk materiaal, dat vooral in het middengedeelte tot zijn recht komt. De band weet hoe ze mensen aan het dansen kunnen krijgen, wanneer ze kunnen beuken en wanneer ze juist ruimte moeten maken. Tel daar de uitstekende productie bij op en de band heeft er een album bij om trots op te zijn. Het live aanschouwen van deze band is verplicht!

Score:

80/100

Label:

Napalm Records, 2026

Tracklisting:

  1. Draumakona
  2. Myrkviðr
  3. Ratatoskr
  4. Dǫkksalir
  5. Útgarðr
  6. Ek Skal Riða
  7. Himinbjǫrg
  8. Heiemo Og Nykkjen
  9. Veit Barnit
  10. Eldr Ok Íss

Line-up:

  • Christophe Voisin Boisvinet – Percussie, Noorse violen, harp, hoorn, vocalen, programmeren
  • Marti Ilmar Uibo – Percussie, lier, kannel, fluiten, mondharp, vocalen
  • Steeve Petit – Percussie, vocalen
  • Marie Potosniak – Violen, vocalen
  • Guillaume Levy – Ierse bouzouki, citole, gudok
  • Nathalie Lemoye-Voisin – Vocalen
  • Ravn – Moraharpa
  • Michel Abraham – Vocalen
  • Eyline Uibo – Vocalen

Links: